Wat is Samba?

Samba is een ritme dat vooral bekend is van de carnavalsfestivals en de sambascholen in Brazilië
(Rio de Janairo). Van oorsprong is het een Afrikaanse dans uit Angola en Kongo. Het woord “samba” komt van het Afrikaanse woord “semba” en betekent buikdans.
Stilstaan tijdens het spelen kan dus niet: er moet geswingd worden!!

Op de festivals in Brazilie bestaan Sambabands (“bateria”) uit 100 tot wel 300 mensen.

Muziek maken is iets anders dan noten spelen. Dit geldt met name voor de samba. Samba speel je niet, maar voel je. Er zijn een aantal afspraken over de basisritmes en breaks die aangegeven worden door de “leader”, en voor de rest is binnen dit geheel ruimte voor improvisatie zolang het basis “gevoel” niet wordt verstoord.


Instrumenten

Een sambaband maakt gebruik van verschillende instrumenten. Deze instrumenten zijn specifiek Braziliaans. Omdat de mensen in Brazilië in de regel niet voldoende middelen hebben om instrumenten te laten maken, worden de instrumenten gemaakt van dingen die anderen weggooien. Hierdoor ontstaan de meest bijzonder klinkende instrumenten.

Surdo: 
Surdo (“de dove man”) verzorgt de hartslag van de band. Het is een grote ronde basdrum die bespeeld wordt met een of twee stokken. Een band heeft meestal 3 soorten surdo’s: Surdo “reposta”: de grootste, Surdo “marcador”: de middelste, en Surdo “contrador”: de kleinste en meest actieve surdo.

Tamborim:
Een trom van ongeveer 20 cm doorsnede met slechts een vel (vergelijkbaar met een tamboerijn zonder bellen). De tamborim wordt met slechts een stok bespeeld. Verschillende slagtechnieken creëren verschillende geluiden (o.a. variëren van velspanning met vingers en raken van het vel op verschillende plekken met de stok).
De tamborims zorgen voor het volume van de band door hun specifieke doordringende geluid.

Repinique:
De tenor trom van de sambaband met strak gespannen vel. Vult het surdo ritme aan. Fungeert ook als “lead drum” van de band (vraag en antwoord). Wordt ook gebruikt als solo instrument en wordt bespeeld met een of twee stokken. Slagen bestaan voornamelijk uit rimshots (slagen op vel en rand tegelijkertijd).

Caixa:
Het woord caixa (spreek uit: kasja) betekent “snare drum” in het Portugees, en wordt bespeeld met 2 drumstokken.
Soms zitten de snaren bovenop, meestal onder.
Op dit instrument worden vooral rim-shots en drukroffels gespeeld.

Ago-go:
De ago-go zijn eigenlijk 2 of 3 verschillende cow-bells (koe-bellen) met elkaar verbonden door een gebogen metalen staaf.
Hierdoor kan een melodisch ritme worden gespeeld.
Door de twee bellen tegen elkaar te drukken kan een echo-achtig geluid worden gemaakt als opvulling tussen het gespeelde patroon.

Ganza:
Shaker ( ofwel schudbeker). Gevulde gesloten cilinders. Komen in verschillende formaten en vormen.
Versterkt de “groove” (gevoel/ritme/puls) door patronen van zestienden noten. Er bestaan ook shakers die bestaan uit een vierkant raamwerk van tamboerijnbelletjes.

Apito:
Fluitje met een of meerdere toonhoogtes. Gebruikt door “leader” om “bateria” aanwijzingen te geven, of als aanvulling van het ritme.

Overige instrumenten:

Pandeiro:
Braziliaanse tamboerijn,

Cuica (spreek uit: kwieka) met het specifieke oerwoud geluid (geluid van de leeuwin),

Chocaleo:
metalen samba-ballen,

Reco-reco:
metalen of bamboe rasp.

Niet zo makkelijk als je denkt.
Zoals je ziet instrumenten genoeg om de samba te spelen. Belangrijkste is echter het gevoel erbij. Mensen in Brazilië spelen “van binnen uit”. Misschien denk je, ik pak even een instrument en sla erop los. Dit is zeker niet het geval bij dit soort muziekvormen.

Als de juiste “groove” niet aanwezig is zal het resultaat saai en vormloos klinken.
Dit is niet zo makkelijk aan te leren.
Toch denk ik dat het voor iedereen mogelijk is de samba te spelen.

Als laatste:
Elk instrument is van belang. Van Surdo tot Ganza, alles bij elkaar maakt de samba.
Het gevoel is belangrijker dan het spelen van de nootjes.